Geschiedenis
Spelsoorten
Andere spelsoorten
Speeltips overband
Speeltips driebanden
Nuttige tips
Biljart-materiaal
en het onderhoud ervan
Oude prenten
Nuttige tips

Houding van het lichaam
Het lichaam moet een zogenaamde drievoet vormen, met de benen in spreidstand en de voorhand rustend op het biljart. Men zorge ervoor niet al te rechtop te staan, daar dit het juiste mikken bemoeilijkt, noch met de kin vlak bij de queue, daar hierdoor de schouder in het gedrang komt.
Men zorge er voor dat de punt van de elleboog, nooit hoger komt te staan dan de schouder. De lijn van schouder en elleboog is dus iets schuin naar beneden gericht.
Indien dit niet het geval zou zijn, ontstaat dikwijls de z.g. pompbeweging. Natuurlijk gaat men bij een verre stoot, vooral wanneer dun aangespeeld moet worden, wat lager staan, terwijl men bij klein spel de hand dichter bij de bal plaatst en wat hoger gaat staan.







      
       De achterhand
Wanneer de speler in ruststand staat, vormt de onderarm een rechte hoek met de keu. Hand, pols en onderarm vormen één rechte lijn. Een veel voorkomende fout is, dat men de keu tussen enkele vingers vasthoudt. Hierdoor ontstaat een knijpen om de keu te verhinderen uit de hand te vallen. Dit knijpen is in geen geval geoorloofd. Men legt dus de keu in de volle hand, waarvan de vingers gebogen zijn, zodat de keu erin komt te rusten. De duim wordt om de keu geslagen, doch zonder te knellen. Men vermijdt vooral om bij het einde van de stoot pink en ringvinger te strekken, waardoor een kleine spierverstijving optreedt en de souplesse van de afstoot verloren gaat.
      
                                        De voorhand
Belangrijker nog dan de achterhand is de voorhand. Deze moet zo vast liggen als een muur. Men plaatst de hand zodanig op het biljart dat de keu horizontaal in de ring welke gevormd wordt door de duim en de wijsvinger.
Men zorgt ervoor dat de ring zo groot genomen wordt, dat de keu niet gekneld wordt maar vrij heen en weer bewogen kan worden, evenwel niet zo groot, dat er speling komt tussen de ring en de keu, zodat deze op en neer of heen en weer bewogen kan worden, De afstand tussen hand en speelbal is bij een normale stoot zo'n 10 a 12 cm, bij klein spel wordt deze afstand kleiner.
       Aangezien de houding van de voorhand verband houdt met de hoogte waarop de pomerans de speelbal moet treffen, is het gewenst dat men de stand van de voorhand soms aanpast.
      
       A. De houding van de voorhand in trekstand
Houd de pomerans gericht op de speelbal ongeveer 1,5 a 2 cm beneden de hartlijn De ringvinger en pink liggen gestrekt op het biljart Duim en wijsvinger vormen de ring De middelvinger ligt naast de duim, die plat op het biljart rust. Het is tevens geoorloofd indien men de middenvinger gestrekt naast de ringvinger en pink op de tafel laat rusten. Denk er vooral aan dat zowel de muis van de hand als de duim op het biljart worden geplaatst.
      
       B. Houding bij afstoot in de hartlijn
Wanneer men in de hartlijn moet afstoten, moet de pomerans dus rijzen Dit geschiedt door de duim het biljart te doen verlaten, Om te voorkomen dat de voorhand wankel komt te staan, moet men de middelvinger die bij de trekstand naast de duim onder de hand gelegen was, onder de duim plaatsen, waardoor de voorhand weer vast op de tafel komt te rusten.
      
       C. Houding bij doorschietstoot
Aangezien de normale doorschietstoot wordt gespeeld met de pomerans ongeveer 1,5 a 2 cm boven de hartlijn, moet de pomerans dus opnieuw rijzen, De middelvinger wordt nu evenals de ringvinger en pink in enigszins rechtopstaande stand op het biljart geplaatst, terwijl de duim nu komt te rusten op de middelvinger ter hoogte van het tweede vingerlid
      
       De manier van stoten, ook wel coup de queue genaamd, is voor ieder niet dezelfde.
De afstoot van de één is nu eenmaal gemakkelijker en sierlijker dan die van de ander en men moet niet een ander trachten na te doen. Ieder moet zich aan die afstoot houden, die hem van nature ligt.

De beste manier van stoten is wel deze, waarbij de stoot wordt volbracht door de onderarm, welke heen en weer zwaait en waarbij aan het einde van de zwaai de pols zonder spierinspanning wordt doorgelaten. Deze coup de queue heeft het voordeel, dat men, vooral bij het driebandenspel, de speelbal zonder veel inspanning een grote afstand kan doen afleggen.

Liggen echter bij het libre- of cadrespel de ballen bijeen en zou de speler nu zijn pols vastzetten, dan kan men hem zulks niet als een fout aantekenen. Bij het kaderspel in de rappelpositie kan men met deze vastgezette pols zelfs zeer sterk spelen, doordat de beweging strakker en minder blootgesteld is aan het gevaar van afwijking, dan het geval is bij de zogenaamde losse pols.
      
       De stoottechniek
De stoottechniek behoort, hetgeen wel eens vergeten wordt, te worden onderscheiden van de afstoot of coup de queue. Deze toch is bij een speler steeds dezelfde, maar hij kan zijn manier van afstoten wijzigen, hij kan namelijk harder of zachter stoten, meer of minder energiek, (dit is niet hetzelfde als hard) korter of langer, met vlakke of iets geheven keu, enz.
      
       De energieke stoot
Die doorgaans kort is, dat wil zeggen niet ver in de bal dringt, (circa 3/4 van de middellijn) moet worden toegepast bij alle normale trekstoten en geamortiseerde stootvormen. Bij normale trekstoten omdat bal één, een levendige rotatie moet krijgen en bij geamortiseerde stoten omdat bal twee in verhouding tot bal één een zeer grote afstand moet afleggen. Verder nog bij sommige geremde stoten, waarbij bal 2 dun geraakt moet worden en bal 1 gevaar loopt te veel vaart te krijgen.
      
       De niet energieke, meer gematigde stoot
Die doorgaans verder door de bal heengaat (geallongeerd), moet worden toegepast bij normale doorschietstoten en bandstoten, waarbij niet meer dan twee banden behoeven te worden aangedaan. Aangezien men bij de niet energieke stoot zachter tegen bal twee aankomt, past men deze stoot ook toe in gevallen, waarbij bal twee gevaar loopt te veel vaart te krijgen, dus bijvoorbeeld bij éénbandstoten waarbij bal twee dik moet worden geraakt en bal één een even grote of althans niet veel kleinere afstand moet afleggen dan bal twee.

Verder zijn er natuurlijk alle mogelijke graduaties tussen de energieke en niet energieke stootwijze. Wat de keu-helling betreft, men houdt deze steeds zo horizontaal mogelijk om ketsen te voorkomen. Slechts in enkele gevallen, bijvoorbeeld bij trekstoten, wanneer de tweede bal moeilijk te houden is door te grote afstand tussen bal 1 en 2, of als men over een bal heen moet stoten, mag men de keu van achteren enigszins omhoog heffen.
      

© 2008 - BBG Haarsteeg - Niets van deze pagina's mag worden gekopieerd zonder schriftelijke toestemming van BBG Haarsteeg.